Ziekten

Sla eens een boek over het houden van schapen open en je komt onvermijdelijk bij de schapenziekten terecht. Als je nog geen schapen hebt slaat meteen de angst je om het hart gezien het grote aantal mogelijke ziekten en de begeleidende akelige plaatjes van al deze aandoeningen. Gelukkig zijn de meeste schapen gezond, lopen rustig grazend in de weide rond en brengen gezonde lammeren ter wereld.
En helemaal de Ouessant: omdat het een vrij natuurlijk ras is en er meestal maar één lam geworpen wordt kennen we weinig geboorteproblemen en ook schapenziekten komen relatief weinig voor. Maar toch is het goed kennis te nemen van de meest voorkomende ziekten. Enerzijds om de termen te kennen als er bepaalde onderwerpen besproken worden, maar vooral ook om de symptomen bij de schapen van de eigen kudde te kunnen herkennen.
De ziekten komen slechts kort en steeds in relatie met het ras Ouessant aan de orde. Diverse boeken gaan er dieper op in en ook www.levendehave.nl (kennisnetwerk) biedt verdergaande informatie.
Medicijnen toedienen zonder een dierenarts geraadpleegd te hebben is niet verstandig: voor het stellen van een juiste diagnose is veel ervaring en kennis noodzakelijk en de meeste middelen kunnen niet anders dan via de dierenartsenpraktijk worden verkregen.

Het bloed (weeldeziekte of enterotoxemie)
Deze ziekte komt, zover bekend, niet voor bij Ouessanten, maar dierenartsen willen nog wel eens stimuleren daartegen te enten.
Het treft vooral jonge en snel groeiende lammeren en de ziekte wordt in de hand gewerkt als ze voer krijgen met een ruime koolhydraat-eiwit verhouding en weinig structuur. Teveel melk drinken of een te snelle overgang naar een weide met jong en eiwitrijk gras kan hetzelfde resultaat hebben. De pensflora kan zich niet snel genoeg aanpassen aan dergelijke voerveranderingen. De bacterie Closttridium perfringens krijgt dan kans zich snel te vermenigvuldigen in de darmen, waarbij giftige stoffen worden gevormd die de hersenen beschadigen.
Het verloop is meestal zo snel dat er geen verschijnselen worden gezien: de dieren worden dood aangetroffen in de wei. Nog levende dieren kunnen niet meer lopen, maken fietsende bewegingen waarbij de kop meestal achterover wordt gehouden. Behandeling komt vrijwel altijd te laat.
Preventie: vermijd plotselinge voerveranderingen. Ook is vaccinatie van de ooien en de lammeren mogelijk.

Blauwtong
Blauwtong of bluetongue is een virusziekte die voorkomt bij herkauwers (vooral schapen en runderen) en tijdens de besmettingsgolf in 2007 kwamen de meeste sterftegevallen voor bij de schapen. Er is toen massaal gevaccineerd tegen blauwtong en nog steeds wordt dit door de overheid gepropageerd.
Het virus wordt overgebracht door met het virus besmette insecten, de knutten. De periode tussen het gestoken worden en het uitbreken van de ziekte bedraagt zo’n 5 tot 20 dagen. Het begint meestal met kwijlen en schuimbekken, maar ook wel met het hebben vaneen stijve gang en veel stilstaan in de wei. Vervolgens treedt zeer hoge koorts op en een algeheel ziekzijn. Mond en tong raken ontstoken en de tong wordt blauw. Ook kunnen de schapen kreupel worden door een ontsteking aan de klauwen.
De ziekte leidt na enkele dagen tot de dood, maar dit kan ook al binnen 24 uur.
De dieren kunnen behandeld worden met koortsverlagende en pijnstillende middelen, eventueel antibiotica; echte geneesmiddelen zijn er niet. De dieren aan het eten en drinken houden blijkt een belangrijke voorwaarde om te overleven, maar toch zijn er ook heel wat Ouessanten doodgegaan in 2007.
Preventief kan er nu gevaccineerd worden.

Blauwuier (acute mastitis)
De acute uierontsteking treedt doorgaans 2 tot 3 weken na het werpen op. Meestal is slechts één uierhelft aangetast.
Het dier heeft koorts, eet niet, zondert zich af en trekt met een achterbeen bij het lopen. De uierhelft is gezwollen, pijnlijk roodachtig en later blauw of zwart. Er wordt maar weinig melk afgescheiden en die melk is rood-waterachtig met vlokken.
De dieren kunnen sterven binnen 1 tot 4 dagen en zonder behandeling gebeurt dat bij 50 tot 80 %. De behandeling bestaat uit antibiotica en sulfapreparaten, waarmee de ontsteking teruggedrongen wordt en soms de uier behouden blijft. Het schaap moet enkele keren per dag worden vastgehouden om de gezonde uierhelft door het lam te laten zogen.
In de meeste gevallen wordt de aangetaste uierhelft afgestoten, maar ook met één uierhelft kan het dier werpen en zogen.

Coccidiose (inwendige parasieten)
Een met diarre gepaard gaande darmontsteking, veroorzaakt door microscopisch kleine eencellige organismen. De eieren hiervan komen met de mest in de stal of weide en kunnen de gevoelige lammeren besmetten. Volwassen schapen zijn dragers van coccidiën zonder daarvan zelf hinder te ondervinden. De ziekte komt vaker voor op stal en vooral als er veel dieren op een klein oppervlakte worden gehouden.
Bij lammeren die in de regel 1 tot 3 maanden oud zijn valt op dat ze slecht groeien, weinig eten en vermageren. Vaak hebben ze een slappe ontlasting die kan overgaan in donkere diarree met soms bloed er in. Ze staan vaak met een gebogen rug te persen op de ontlasting. Sterfte van deze lammeren komt in zo’n 10% van de gevallen voor in de loop van 3 tot 4 dagen. De overigen herstellen na 1 tot 2 weken.
Aangezien lammeren erg vatbaar zijn als ze op stal gehouden worden moet gezorgd worden voor veel ruimte en goede hygiëne: de stal moet schoon (heet water boven 60ºC), droog en ruim zijn.
De wei waarin de lammeren komen moet schoon zijn en dat is een wei waar gedurende de winter geen schapen hebben gelopen.
Sulfamiden bestrijden de parasiet eventueel in combinatie met middelen tegen diarree of een elektrolytenoplossing om het mineralenverlies door de diarree te kompenseren.

Myiasis of huidmadenziekte
De vlieg Lucilla sericata legt eieren in de wol van het schaap, de larven kruipen in de huid en vreten deze aan. Ze voeden zich onder meer met het ontstane wondvocht. Zo ontwikkelen ze zich tot witgrijze maden, die zich op een gegeven moment van het schaap laten vallen, zich verpoppen en de uitgekomen vliegen infecteren het schaap opnieuw.
De eieren worden meestal (maar niet uitsluitend) op het achterstel gelegd, vooral als dit met mest bevuild is en met name in de maanden juli en augustus bij vochtig warm weer.
Aangetaste dieren zijn onrustig: ze schuren zich langs palen en het hekwerk, stampen, tandenknarsen, kwispelen met de staart, trekken met de huidspieren en staan met de kop naar beneden. Er ontstaan stinkende wonden en de dood kan binnen enkele dagen intreden.
Controleer vooral in het voorjaar, wanneer de dieren nog niet geschoren zijn, maar ook in de zomermaanden zeer regelmatig het achterstel en scheer de wol daar eventueel preventief weg.
Preventieve behandelingen zijn ook mogelijk: dompelen of nevelen met Clik of Neocidol. Als biologisch middel in de strijd tegen myiasis wordt knoflook en knoflookpoeder genoemd: fijnhakken en door het voer mengen.
Bij reeds aangetaste dieren moet de wol weggeknipt worden, de maden verwijderd en de wonden schoongemaakt en gedesinfecteerd worden.

MKZ
Mond en Klauwzeer is een zeer besmettelijke virusziekte, waar tot 1991 tegen mocht worden ingeënt. Vanaf die tijd gold een vaccinatieverbod, met als gevolg dat er in 2001 na een uitbraak van MKZ duizenden herkauwers preventief moesten worden geruimd. Een nieuwe EU-verordening staat een noodvaccinatie van markervaccins toe en de dieren hoeven dan niet meer geruimd te worden.
MKZ kan optreden bij koeien, geiten, schapen en varkens. Ook lama’s en alpaca’s, maar die raken minder snel geïnfecteerd. MKZ is een aangifteplichtige ziekte, die gelukkig niet veel voor komt gezien de enorme impact die het heeft op de gehele veehouderij.
De ene diersoort kan de ziekte overdragen op de andere; het virus kan worden getransporteerd via de lucht, de mest, mensen en via het oppervlaktewater.
De meest opvallende symptomen zijn de plotselinge, ernstige kreupelheid, die in de regel bij meerdere dieren tegelijk optreedt. Er komen blaren bij de mond (de kroonranden, neus, lippen, tong en tandvlees), bij de klauw (tussenklauwspleet) en bij de uier. Door deze blaren eten ze niet veel, gaan veel liggen, valt de melkproductie weg, worden sloom en koortsig (de verschijnselen lijken wel wat op blauwtong en rotkreupel)

Q-koorts
De bacterie Coxiella burnetti veroorzaakt de Q-koorts. Deze bacterie kan zeer goed buiten zijn gastheer overleven en kan bij vrijwel alle diersoorten voorkomen, maar vooral bij wilde knaagdieren en landbouwhuisdieren zoals runderen, schapen en geiten.
In het wild brengen teken de besmetting over van dier naar dier. Tussen de landbouwhuisdieren kan sporadisch ook een teek optreden als overbrenger, maar veel belangrijker is besmetting door het inademen van stofdeeltjes met daarin bacteriën. De bacterie komt in de omgeving terecht doordat geïnfecteerde dieren, die zelf geen ziekteverschijnselen hoeven te vertonen, bacteriën uitscheiden met de lichaamsvochten (traanvocht, urine, slijm, speeksel, melk, vruchtwater). De bacterie is erg ongevoelig voor milieu-invloeden en kan met het stof over grote afstanden getransporteerd worden.
Mensen kunnen besmette stofdeeltjes inademen die afkomstig zijn van stallen, weilanden, ruwe wol, huiden, kleding etc.
Bij dieren verloopt de infectie meestal symptoomloos. Vooral bij besmette geiten wordt (een uitbraak van) abortus gezien. In geval van abortus maar ook bij symptoomloze dragers scheiden de dieren grote hoeveelheden bacteriën uit tijdens het lammeren van de dieren. Dus is maximale hygiëne van groot belang, vooral in de lammertijd.
Een houder van kleine herkauwers, die te maken krijgt met (meerdere gevallen van) abortus onder zijn dieren doet er verstandig aan zijn dierenarts te raadplegen om achter de oorzaak te komen. Q-koorts is een aangifteplichtige ziekte en het ministerie van EL&I stimuleert preventieve vaccinatie.
Algemene hygiënische maatregelen blijven belangrijk om risico’s te verminderen. Het verder besmet raken van de stal moet zoveel mogelijk worden voorkomen, evenals de blootstelling van mensen aan verwaaiende mest- en stofdeeltjes.

Rotkreupel
Rotkreupel is een stinkende ontsteking aan de klauw van het schaap. Ten gevolge van de pijn bij het lopen gaan ze op de knieën liggen tijdens het grazen.
De behandeling bestaat uit het schoonmaken en ontsmetten van de tussenklauwspleet, een behandeling die om de paar weken dient te worden herhaald. Hierbij moet een ontsmettingsspray op basis van antibiotica worden gebruikt.
Preventief kan er gevaccineerd worden tegen rotkreupel, maar vooral een regelmatige klauwverzorging kan veel leed voorkomen.

Schapenluis
Schapenluis is een vleugelloze bloedzuigende parasiet. Schapen kunnen erg verzwakken wanneer ze de luis bij zich dragen. De parasiet veroorzaakt jeuk en lijkt een voorkeur te hebben voor drachtige ooien en voor lammeren. Er zijn shampoos op de markt die werkzaam zijn tegen uitwendige parasieten.
Biologische behandelmethode: knoflook / knoflookextract door het voer mengen. Het kan wel enkele weken duren voordat de luis in de gaten krijgt dat zijn gastheer minder lekker is dan voorheen. Een snellere methode is wellicht het inmasseren van de vacht met enkele druppels Tea Tree Oil (drogist of reformwinkel).

Scrapie (opdrogers of in het Frans “tremblante”)
Hoewel we in de negentiger jaren (weliswaar min of meer gedwongen) intensief deel genomen hebben aan het scrapiebestrijdingsprogramma middels selectie is er nooit scrapie vastgesteld bij de Ouessant.
Scrapie is een langzaam, maar wel steeds dodelijk verlopende hersenziekte van volwassen schapen die gepaard gaat met vermagering, trillingen en jeuk (“to scrape”= krabben, schuren). Door het schuren ontstaan kale plekken, de vacht wordt dor en droog, de gang wordt afwijkend en tenslotte kan het dier niet meer lopen door verlammingen. Onderzoek van de hersenen laat een sponsachtige degeneratie van de hersencellen zien.
Veroorzaker is een virusachtige stof die afwijkt van de normale virussen doordat ze bestand is tegen koken en tegen de inwerking van ontsmettingsmiddelen.
Behandeling van de ziekte is niet mogelijk; getracht wordt de ziekte uit te bannen door alleen scrapievrije rammen (= ARR/ARR, vast te stellen via bloedonderzoek) in te zetten om zo tot een scrapievrije kudde te komen.
Scrapie is verwant aan de BSE of Gekkekoeienziekte en de bij de mens voorkomende ziekte van Creutzfeld-Jacob. In tegenstelling tot de Gekkekoeienziekte is scrapie tot nu toe niet overgegaan op mensen en juist daarvoor bestond grote vrees en zijn zeer vergaande maatregelen getroffen.

Worminfecties
Alle volwassen schapen herbergen een aantal wormen die in evenwicht met “hun gastheer” leven, d.w.z. dat het immuunsysteem van het schaap ervoor zorgt dat ongeacht het aantal opgenomen wormenlarven het aantal tot volwassenheid uitgroeiende wormen in de in haar ingewanden ongeveer gelijk blijft. Als de hormoonspiegel in de ooi verandert na het aflammeren, beginnen de wormen als een gek eieren te produceren: 10.000 eieren per dag is geen uitzondering. Tegen de tijd dat de lammeren naast melk ook gras beginnen te eten zijn de wormeieren uitgekomen en veranderd in piepkleine larfjes die ’s morgens op de grassprieten zitten.
Eénmaal in het lam ontwikkelen zij zich tot volwassen wormen en starten met het eieren leggen. Zo bouwt zich in de loop van het voorjaar de infectiedruk van wormen in het weiland op.
Worminfecties behoren tot de normale “kinderziekten” die een jong dier door moet maken en waartegen het immuniteit gaat opbouwen, tenminste als het daarvoor de tijd krijgt. In de intensieve veehouderij kan de infectiedruk zó intensief zijn dat zo’n jong dier als het ware overspoeld wordt met infectueuze wormenlarven, die zoveel schade aanrichten dat bloedarmoede, vermagering en diarree zijn deel worden., soms met de dood tot gevolg.
Behandeling
Het juiste moment van behandelen hangt ondermeer af van de intensiteit van beweiding. Bij weinig schapen en een groot te beweiden oppervlak is de behandelfrequentie lager dan bij intensief gebruik, waarbij het voorkomt dat schapen voortdurend op hetzelfde terrein lopen.
Een worminfectie is altijd een aangelegenheid van het gehele koppel; het behandelen van individuele dieren heeft dus nauwelijks zin. Worminfecties bereiken hun hoogtepunt in de zomer en in de herfst, zodat het altijd noodzakelijk is om in het najaar een laatste behandeling uit te voeren.
Het toedienen van ontwormingsmiddelen moet altijd gebeuren in overleg met de dierenarts. Bovendien zijn sinds kort alleen op voorschrift ontwormingsmiddelen te verkrijgen. Gepropageerd wordt om dit vooraf te laten gaan door mestonderzoek. Alleen op basis van een geconstateerde worminfectie zou er met het juiste middel en in de juiste dosering ontwormt moeten worden, dit om resistentie tegen te gaan en bovendien kan het kostenbesparend werken met de huidige prijzen voor ontwormingsmiddelen.
Biologische behandelmethode: gedroogde en gesnipperde uien en / of prei door het voer mengen en ook knoflook zou tegen wormen helpen.
Beweidingsstrategie
Vanwege deze dreigende resistentie tegen ontwormingsmiddelen voeren schapenhouders vaak een beweidingsstrategie. Ze wisselen geregeld van weiland en laten mestonderzoek uitvoeren om zo min mogelijk middelen in te zetten. Bij een strak beweidingsschema worden alleen in geval van een besmetting middelen toegediend.
Niet-ontwormen is bij schapen eigenlijk alleen verantwoord als men geen lammeren houdt. Volwassen dieren hebben als regel zoveel weerstand tegen worminfecties dat ze zonder wormmiddelen gehouden kunnen worden.
Om meer te weten te komen over de cyclus van infectie en her-infectie via de wei, is onderzoek gedaan. Daaruit is naar voren gekomen dat een onveilige wei na drie maanden weer veilig is. Ook is aangetoond dat bij besmette schapen op een schone wei in het voorjaar (tot 1 juli) en in het najaar (vanaf september) na drie weken gevaarlijke her-infecties kunnen optreden en in de zomer na twee weken. Op basis van deze gegevens kan een beweidingsschema worden opgesteld. Soms kan echter al binnen genoemde perioden een gevaarlijke wei ontstaan. Dit gebeurt vooral als het warmer is dan normaal, met bovendien voldoende neerslag.

Hieronder de in Ankeveen gehouden presentatie door Judith van Andel over het ontwormen:
Presentatie ouessant Ankeveen 2016

Zere bekjes (of ecthyma)
Een besmettelijke ontsteking van huid en slijmvliezen aan de snoet van schapen en geiten, gepaard gaande met uitgebreide korstvorming die ook bekschurft wordt genoemd. Het begint met kleine blaasjes aan de binnenkant van de lippen, de oogleden of rond de uitwendige geslachtsorganen. Na het barsten van de blaasjes ontstaan zweertjes die vocht afscheiden dat na indrogen bruine tot zwarte korsten geeft. De randen groeien uit tot wratachtige woekeringen rond de hele snoet tot in de neusgaten en rondom de ogen. De korsten vallen na één tot twee weken af, waarna genezing volgt. Aangetaste lammeren brengen de ontsteking over op de tepels en uier van de ooien. De ziekte is een zoönose, wat wil zeggen dat het ook besmettelijk kan zijn voor de mens: na binnendringen via een beschadigde huid kunnen er overéénkomstige puisten en zweren ontstaan aan het gezicht, handen en geslachtsdelen.
Ecthyma wordt veroorzaakt door een virus uit de familie van de pokkenvirussen en die binnendringt via kleine wondjes aan de onbewolde huid. In een later stadium komen er bacteriën bij die weefselsterfte veroorzaken en etterverwekkende bacteriën.
De plaatselijke behandeling bestaat uit een antibioticumspray of een opdrogende tinctuur.

Zere oogjes (of keratoconjunctivitis)
Een ontsteking van het bind- en hoornvlies van het oog, dat dof en grauw van kleur wordt.
De besmette dieren knipperen met hun ogen, er is een verhoogde traanproductie, soms zijn er zweertjes waarneembaar en er kan zich ook oedeem voordoen. De infectie kan tijdelijke blindheid veroorzaken. Als één dier in een koppel er last van heeft, volgen er meestal meer.
Behandeling is meestal niet nodig, de aandoening verdwijnt vanzelf weer. Zo niet, dan kunnen de ogen gezalfd worden met een oxytetra-houdende zalf of gespoten worden met een oxytetra-preparaat.

Zwoegerziekte of dampigheid (internationale term: maedi)
Voor zover bekend komt zwoegerziekte niet voor bij de Ouessanten. Toch houden we een zwoegervrije bespreking en worden op de Dag van het Schaap en op de meeste demonstraties en tentoonstellingen alleen maar zwoegervrije dieren toegelaten, dit vanwege de besmettelijkheid.
Zwoegerziekte is een virusziekte bij schapen, waartegen geen verweer is en die dus besmettelijk is. Het is een langzaam verlopende, chronische ontsteking van de longen bij volwassen dieren. De zwoegende ademhaling is het kenmerkendste symptoom. De verschijnselen van zwoegerziekte worden echter pas opgemerkt anderhalf jaar of langer nadat de besmetting heeft plaatsgevonden: het iets trager worden, een iets bemoeilijkte ademhaling, het achterop raken bij het koppel. In de loop van de maanden treedt vermagering op, de vacht wordt dor en los, het dier heeft een pompende ademhaling en een algehele verzwakking treedt op de voorgrond .Ook geven de ooien meestal weinig melk, met slechte lammeren tot gevolg.
Bij het ophokken in bedompte stallen gaat de besmetting gemakkelijk over via de uitgeademde lucht, via de urine en de ontlasting, maar vooral via de biest en de moedermelk van besmette ooien naar de lammeren.
Door herhaald bloedonderzoek en het verwijderen van alle positief reagerende dieren kan een zwoegervrije status verkregen worden, een programma van de Gezondheidsdienst waaraan men kan deelnemen sedert de invoering in 1982. Een zwoegervrije kudde mag niet in contact komen met niet-zwoegervrije dieren en nieuw aangekochte dieren moeten eerst getest en in quarantaine worden gehouden alvorens ze bij de kudde kunnen worden gelaten.